OVER DE MAGIE VAN DE WERKELIJKHEID

25. mrt, 2019


Afgelopen januari hebben we de knotwilgen aan de rand van het weiland gesnoeid en al het gesnoeide hout 80 meter naar de plek verderop gesleept waar 4 grote houtstapels met brandhout voor de komende 15 jaar liggen te drogen en te wachten voor gebruik. Een flinke klus maar de wilgen waren eraan toe. Takken die langer dan 'n jaar doorgroeien nemen in hun omvang zo snel toe dat ze op een goed moment niet meer met de hand te knippen of zagen zijn. Dan moet de motorzaag eraan te pas komen wat een behoorlijk zwaar karwei is. Ik heb dit 'n keer eerder meegemaakt op het land van de woonboerderij waar ik vroeger woonde. Langs een lengte van ongeveer honderd meter waren de knotwilgen tussen sloot en weiland zover uitgedijt dat het eigenlijk op bomen gegroeide bomen waren. We boften dat 'n kennis een grote groep vrijwilligers (vnl mannen) bij elkaar had weten te trommelen, zodat we ons er in 'n dag doorheen konden werken.

Na zo'n snoei- en sleepklus is het wel de vraag hoe en waar de wilgenresten verwerkt moeten worden. Ons plan voor nu was (en is) om een vlechtwerk van wilgentenen van 15 meter lang te construeren langs dat deel van de tuin waar honden die uitgelaten worden te makkelijk toegang toe hebben (hun uitwerpselen ook). De eerste fase van het project hebben we de afgelopen dagen ten uitvoer gebracht wat inhield sorteren en kortwieken. Welke takken zijn geschikt om in stukken te zagen voor de houtkachel en welke voor het wilgentenenscherm. De staanders waar omheen-en-tussendoor het vlechtwerk zal worden gevlochten (het is eigenlijk weven vind ik maar het heet nu eenmaal vlechten) moeten langer dan de geplande maat worden gezaagd en in hoogteverschillen van 80 tot 180 cm. De wilgentenen die dun en vooral lang en buigzaam zijn moeten met een kleine snoeischaar van hun uitlopers en zijtakken worden ontdaan, waarna een hoge hoop aan twijgen over zal blijven voor het paasvuur. Vergezeld door luid voorjaarsgezang en omringd door uitlopende krentestruiken en vele kleine ontspruitende plantenknopjes, hebben mijn geliefde A. en ik deze klus in 2 middagen voor elkaar gekregen. Het is nu wachten op het geschikte weer om verder te gaan met fase twee: gaten in de grond boren zodat de staanders er zeker 50 cm in kunnen verzinken, de gaten vullen en vlechten maar.

Al is er geen ruig berglandschap meer om ons heen, geen zonovergoten kleurrijk natuurschoon en ontbreekt ons het fantastische uitzicht over de Atlantische Oceaan, het grote levenswonder dat uit ieder (de winter trotserend) plantenknopje vol levenslust losbarst geeft net zoveel voldoening en ontzag. De levenskracht toont zich in vele gedaanten in klein en groot, altijd doorgaand in een continue stroom. De ene keer verborgen in samengetrokken zaad, een andere keer volledig explosief in uitbundig bloeiende bloemen.
Ook ons wilgenhout met wilgentenen als 'afval' roept ontzag en vreugde op wanneer we het door onze handen laten gaan. Ik meende zelfs te merken dat de wat desolate en wel zeer (nederig) meebuigende wilgentenen enige vreugde uitstralen. Het vooruitzicht om samen vervlochten te worden en met elkaar een nieuw geheel te vormen doet ongetwijfeld wat met de wilgentenen die nog vol levenssap zijn, want ook zij beginnen los van hun vader/moederbron (de knotwilg) al her en der uit te lopen.
Het wilgentenenscherm popelt om gecreërd te worden; ook ik popel om eraan te beginnen.

YLC J
20. mrt, 2019


Op tentoonstellingen kom ik altijd wel een kunstwerk tegen dat me boeit en waarin ik me nader verdiep. Ik behoor trouwens niet tot het type museumbezoeker dat hele tentoonstellingen wil zien. Ik ben genoodzaakt om me te beperken omdat ik anders slaperig word en loop te geeuwen. In bibliotheken heb ik daar ook last van. Het voordeel van me beperken is dat ik me echt in iets kan verdiepen, althans wanneer het niet te druk is.
Dit gebeurde ook in januari toen ik met vriendin L. het museum 'het Valkhof' in Nijmegen bezocht, genoemd naar het ernaast gelegen Valkhof, een ruïne welke herinnert aan de grote onderwijs-initiator Karel de Grote. Het was L.'s keuze om de tentoonstelling 'Ik, Maria van Gelre' te gaan zien. Pas op de terugreis beseften we wat ons aldaar had 'gepakt'.

Maria van Gelre was een voor haar tijd (15e eeuw) zelfbewuste hertogin die rond haar 35e levensjaar een zeer verfijnd gebedenboek liet maken dat uit ruim 600 pagina's bestaat en gedecoreerd is met rijkelijk veel miniaturen, sierinitialen en randversieringen. Het gebedenboek is met de hand geschreven door de monnik Helmich die Lewe maar het is zeer wel mogelijk dat Maria van Gelre er ook zelf aan bijgedragen heeft, wat in die tijd voor een vrouw zeer uitzonderlijk was. Zowel voor L. als voor mij was het sterk ervaarbaar met wat voor geduld, verbondenheid en diepe concentratie aan het gebedenboek is gewerkt. Een werkelijk waarachtig en respectabel stuk monnikenwerk.

Het leidde bij mij tot het herwaarderen van het geschreven schrift. Ik heb kort na ons bezoek aan 'het Valkhof' mijn mooie vulpen van vroeger tevoorschijn gehaald, een van mijn nog half volgeschreven schriften uitgekozen en ben sinds jaren weer 'schoon' gaan schrijven. Een hele fijne, tot rustbrengende bezigheid die ook nog weldadig op mijn wat stram wordende handen doorwerkt.
Dubbele dank voor de zeer toegewijde monnik Helmich die Lewe wiens voorbeeld mij nog steeds inspireert tot het handmatig toegewijd schrijven. De magie van het tijdeloze-in-de-tijd heeft hier dienst gedaan. Ik leef immers in de 21e eeuw en ben geen monnik maar mijn schriftjes, vulpen, handwerk en toewijding zijn mij inmiddels meer waard dan mijn i pad.

YLC J
18. mrt, 2019
17. mrt, 2019


Vorige week gingen we naar het Drents Museum in Assen. Ik werd getroffen door de tentoonstelling over Nubië, gelegen in het zuiden van Egypte aan de noordkant van Soedan. Het borstsieraad 'Gevleugelde Isis' en enkele beelden met aan de rugzijde een zuil met ingebeitelde hiërogliefen over het wezen en leven van de verbeelde persoon (meestal koningen), deden iets met me. Zoals in de beschaving van toen (750-664 voor Chr) nog alles in een volkomen eenheid met elkaar verbonden was (eenheid tussen goden, mens en natuur) zo is onze tijd een contrast hiervan. Het was alsof ik in een tegenovergestelde spiegel keek met de beelden andersom gekeerd.
Er valt veel in herinnering te brengen wanneer we ons verdiepen in kunst uit het verleden. Voor mij zijn het schatten die verhalen over onze evolutie. De ongelofelijke rijkdom en verfijning van beschavingen zoals deze, tegenover de vlakheid van nu en het uit elkaar gevallen zijn van wat ooit in eenheid verbonden was.

De 'Gevleugelde Isis' diende als borstsieraad voor de mummie van koning Amaninatakelebte. De tekens in haar hand duiden op 'de adem van het leven'. Als moederlijke beschermer van de doden gaf de gevleugelde Isis dit mee aan Amaninatakelebte in het hiernamaals.
Het hiërogliefenschrift op de achterkant van de tot beeld gestolde koningen en farao's deed me beseffen dat het wereldbeeld van toendertijd nog geheel was verbonden met de werkelijkheid achter-en-boven de mens. De mens leefde in volle overgave aan een geestelijke wereld waarvan ook tal van mythologische verhalen getuigen.

Vergeleken met de tijd van nu is onze aandacht a.h.w verlegd naar voor-en-beneden. We zijn vooral gericht op veel visuele prikkels en op materie. We leven inhalig met 'ogen op steeltjes', omdat aards bezit ons de waan van geluk voortovert. Het intellect verwerpt überhaupt het bestaan van een geestelijke wereld achter-en-boven ons. Concreet is datgene wat je met je zintuigen kunt waarnemen, meer is er niet, ook een leven na de dood kan daarom niet bestaan.
Wat een ontzagwekkende bewustzijnsverschuiving heeft er door de eeuwen heen plaats gevonden, een werkelijk magische verschuiving waarin alles is omgeklapt in het tegendeel.

YLC J
13. mrt, 2019


terug naar het noorden
naar kou, het ongeborgen toeven

waar winden buien waaien
en regen donkert,
vergrijst melancholiek
het dagelijks bestaan
in tonen van verlangen

kachelwarm de huiselijke vlijt;
avonden gelengd
met room en
opgeklopte chocola

het zonlicht vermist

aan de binnenkant
droog verbrande
kleurpatronen,
't vergankelijk herinneren

een winters silhouet
waar bezinning
dwingt,
dringt
tot verzamelen

wij
zelf

YLC J