1. mrt, 2019

BEWOGEN DAGEN


De autotochten op la Gomera vallen mij meestal zwaar omdat ik aanleg tot wagenziekte heb. We hebben het daarom maar één keer gewaagd om een lange autotocht over het (in dit geval) noordelijk deel van het eiland te maken. Verder gebruikten we de auto alleen voor wandeltochten vanuit verderop liggende dorpen en om eenwekelijks onze boodschappen te doen. De tocht over het noordelijk gedeelte van la Gomera nodigde ons op diverse hoog gelegen plekken uit om uitgebreid van enkele prachtige panorama's te genieten, waarvan het zicht over de vallei rondom het stadje Vallehermoso er voor mij uitsprong. Op het uitzichtspunt bovenaan deze vallei lazen we op het informatiebord dat Vallehermoso letterlijk 'Mooie Vallei' betekent, wat ik gezien haar niet te overtreffen harmonie en schoonheid geheel begrijp.

... De vallei in haar diepte en in haar omtrek volgend nam ik een grote spiraalbeweging waar die geleidelijk maar krachtig vanuit het diepste punt van het dal tot aan de hoger gelegen, omringende heuvels en bergwanden stroomde en vanuit deze hoogte weer terug naar omlaag. Een beweging die altijd doorgaat en alles met alles verbindt. Ik besefte dat in dit zuivere gebied nog sprake is van een organische wisselwerking en uitwisseling tussen alles wat er gaande is aan groei en bloei, leven en sterfte. De mensen, het gesteente, de rijke vruchtbare plantengroei, de dieren: ze zijn verbonden in een voelbare onderlinge samenhang. Een doorstromende harmonie die op mij als heel en onverbroken overkwam in een gebied dat naar mijn beleving bijzonder en voorbeeldfunctie-waardig is ...
Aan de noordzijde van Vallehermoso staat de grote rots 'Roque Cano' die als een ware wachter beschermend tussen de oceaan vóór hem en het stadje achter hem boven het dal uitsteekt. Roque Cano herinnert als geologische restant aan de intense erosie-processen van Gomera's ontstaan. De rots is een oeroude stille getuige van het wordingsproces van het hem omringende, groene en vruchtbare berggebied waar de huidige berghellingen aan de ene kant dicht bebost zijn met laurierbomen en aan de andere kant met juniperbomen (jeneverbes).

Evenzo bewogen als ik was door de indrukken van deze prachtige vallei stond onze terugtocht van oost naar west, voor mij ook in het teken van beweging. Allereerst vanwege de prachtige oplichtende vergezichten die zich aldaar afwisselen met donkere rijk beboste gebieden waar de vurigbruine aardlagen langs de weg kleurrijk opvlammen. Ten tweede omdat ik op een goed moment in slaap viel. Dit laatste bleek funest voor mijn aanleg om wagenziek te worden, want ik werd 'halfbakken' wakker waardoor het stijgen en dalen inclusief de haarspeldbochten te lang voort duurden en er eerste tekenen van misselijkheid ontstonden. M'n lieve vriend A. deed zijn uiterste best om zo voorzichtig als mogelijk te rijden, daarbij zowel met het verkeer achter hem rekening houdend als ook met mijn staat van zijn. Ieder onverwacht remmen, gassen of plotseling omgooien van het stuur in de scherpe bochten kon immers 'fataal' voor mijn misselijkheid zijn.

De laatste etappe (we zagen 'ons' dorp in het dal al naderen) brak het lijntje. Mijn oren suisden, het scherpe zonlicht verdroeg ik niet langer, mijn hoofd leek uit elkaar te knallen en mijn maag begon overtuigd de verkeerde kant op te werken. Ik vroeg aan A. of hij wilde stoppen bij het restaurantje bovenaan het dorp, wat hij uiterst voorzichtig deed. Ik stapte enigszins gebroken uit de auto, haalde diep adem maar het suizen hield niet op. Al wankelde ik op m'n benen, instinctief wist ik dat lopen en frisse lucht op dat moment de enige remedie was tegen het opstijgende onwel worden. Ik sjokte als een zombie de berghelling af terwijl mijn lief langzaam doorreed, de auto verderop op ons plekje parkeerde en een stukje terugliep om mij weer in zicht te krijgen. Eenmaal in huis lukte het me om mijn wandelschoenen en -kledij zonder overbodige beweging uit te krijgen en in bed te kruipen. Daar bleef ik roerloos liggen terwijl A. de gordijnen dicht deed en bezorgd vroeg wat hij voor me kon doen, maar het was duidelijk: rust en niets meer (vooral geen beweging) aan mijn hoofd. Ik viel niet in slaap maar kon me wel van de buitenwereld afsluiten. Met enige ongerustheid volgde ik het shaken van mijn lijf. 'n Uurtje later ging het weer wat beter en zat ik met zonnebril en pet op onze veranda naar 'n (gelukkig) milde zonsondergang te kijken. Die nacht kon ik de slaap pas laat vatten. Mijn nog na-shakende lijf had tijd nodig om te herstellen en te reorganiseren. De volgende dag werd een rust-aan-huis dag wat me zeer goed deed. 'n Dag later was ik wel weer toe aan een dichtbij-wandeling waarvoor we maar een kwartiertje met de auto naar het vertrekpunt moesten rijden. Dit ritje viel gelukkig goed en eenmaal wandelend haalde ik mijn hart weer met volle teugen op aan de grootse schoonheid van het landschap om mij heen.

... Tijdens onze pauze zat ik op een rotsblok te genieten van het verre gebergte voor mij en de oceaan daarachter. De strak blauwe lucht, de twee zwevende valken boven het ravijn, de zwijgende stilte van het rotsige gebergte, het zo vertrouwde rustgevende wateroppervlak van de oceaan met hier en daar de in het oog springende witte schuimkoppen ... de hele omgeving zoog ik met al mijn poriën op. Een intensiteit van beleven die mij als in een vloedgolf van binnenuit overkwam en een sterk moment van bewogenheid en verbondenheid in mij teweeg bracht. Een diep ontroerd zijn door de werkelijkheid-van-de-werkelijkheid, die in haar natuurlijkste expressie door en door mooi, waar en goed is en waarmee ik, ontdaan van iedere vorm van vervlakking voor een moment samenviel. Dank aan dit magische moment van ontvankelijkheid dat voor mij in een zeker verband stond met mijn onwel geworden zijn ...

YLC J